En zo kwam Alfred met zijn
onzichtbare vrienden
bij het paleis aan
en hij klopte drie keer heel
voorzichtig op de deur.
Ja, ja. Ja, ja.
Mijn naam is jonkheer Poen van
Kale Koen.
Wat komt u doen?
Ik ben het, Al fred Jodokus Kwak,
ik wil de koning spreken.
De koning spreken,
de koning gaat zojuist dineren
en wens absoluut niet
gesteurd te werden.
Maar Kalkoen, ik ben het, Alfred Kwak,
de koning weet waarover het gaat,
hij heeft 88 goudstukken
van mij.
De kalkoen.
De kalkoen ging naar de koning
die juist in een enorme banaal wilde bijten.
En toen de koning hoorde
dat Alfred Jodokus Klak voor de deur stond,
zei de koning
Ja wie is dat dan,
Alfred Jodokus Klak?
Die ken ik toch niet,
Alfred Johan Sebastian, wie is dat dan?
Dat is die eend
van wie wij dat geld geleend hebben,
majesteit.
Oh, oh ja, eh,
wat doen wij met die eend?
Kom eens met een idee,
minister van Financiën.
In het kippenhok?
Goed idee, minister van Financiën.
Smijt die eend ogenblikkelijk in het kippenhok. Daar
zal hij zich het allerbeste thuisvoelen.
Dag, Kaku.
Wil de koning mij dan eindelijk ontvangen,
Kaku?
Het was namelijk zo,
ik had namelijk in de krant gelezen...
...dat er landen waren
waar bijna geen water was om
in te zwemmen.
En toen heb ik aan...
Ik kan namelijk...