Ik zit in ons stamcafé, aan de stamtafel
en om me heen heb ik alles wat
ik het liefste om me heen heb.
M 'n vrienden, m 'n vrouw,
goede muziek,
bier, sigaretten, pinda's,
orzeworst, alles. The works.
En ik heb zojuist iets geestigs gezegd
en zit daar kennelijk iets langer
van na te genieten
dan de rest van mijn gezelschap.
En als ik weer naar voren buig
om me weer te mengen in de conversatie,
zie ik ineens dat tussen twee vrienden
van mij een man is komen te zitten.
Naar voren gebogen,
alsof hij het gesprek beter wil kunnen volgen,
maar dat doet hij niet. Hij kijkt naar mij.
En ik denk, wie is die man?
Waar komt die man ineens vandaan?
En die man die lacht naar mij,
ik knik terug, beleefd opgevoed,
maar ik denk, wie is die man?
Wie gaat er nou zomaar
tussen een wildvreemde
aan een wildvreemde?
En ik zie mijn vrienden gewoon doorpraten,
maar niemand kijkt naar die man.
En die man kijkt naar niemand,
maar naar mij. En lacht.
En ik denk, wie is die man?
Hallo, wie is die man?
En ik zie dat mijn vrienden nog wel praten,
maar ik hoor ze niet meer.
En die man die lacht
maar naar mij.
Midden in een raar soort vacuüm
zit ik ineens met een wildvreemde kerel...
spelletje wie knippert het eerst te spelen.
En ik denk, wie is die man?
En dan ineens weet ik wie het is.
En ik denk, ah,
dat is ook jammer.
Dat is nou zonde,
verdomme.
Precies op de avond dat ik alles heb wat
ik het liefst om
Komt de Haai een beetje
aan zet.
Ik leg me erbij neer,
maar ik wil wel weten
waaraan ik zijn bezoek
dan te danken heb.
En hij glimlacht weer
en een stukje ossenworst ligt op.
En ik zeg, eh, vriend,
sorry, maar dat kan niet. Ik heb...
Tussendoortjes kunnen niet geweest zijn.
Ik ben twee jaar geleden onmiddellijk gestopt met alle tussendoortjes,
nadat ik in een gigantische hotel
-badkamer -spiegel
mijn eigen zijkanten niet meer kon zien.
Dus de tussendoortjes
kunnen nooit geweest zijn.
Hij glimlacht en mijn
sigaretten beginnen te zweven.
En ik zeg, nee, sorry, twee keer mis.
17 augustus 1997
ben ik onmiddellijk gestopt met roken,
nadat een arts mij had gezegd
dat dat beter zou zijn voor m zaad.
Hij trekt belangstellend een winkbrauw omhoog,
maar laat zich niet aan het veld slaan
en m 'n biertje ligt op.
En ik zeg nou potverdik
hem drie keer mis.
Een soort bier is drie keer mis,
geen koelkast.
Ik dronk vroeger wel eens een pilsje,
pilsje teveel geef ik eerlijk toe.
Maar nu niet meer, nu hoogstens twee,
misschien drie per avond,
meer kan echt niet, want ik
heb sinds kort een zoon
en die heb ik één keer
met een kater in bad gedaan
en daarna kon hij weer in bad, zeg maar.
Nou is hij even van z
apropos gebracht.
Hij haalt uit z binnenzak een
soort van boekje,
hij kijkt, vergelijkt, ja klopt
en dan doet hij een wanhoopspoging.
De barvrouw ligt op
en als ze verdwijnt zie ik een soort van film
van twee mensen op een strand bij,
wat is het, denk ik, water ofzo.
Hand in hand, zon zakt, heel gedoe.
En ik zeg, ja leuk, mooi, maar ken ik.
Maar A, was het maar een liedje.
B, bracht me dat zoveel geld op
dat C mijn vrouw meteen een huis kocht
waar D op mijn naam een
levensverzekering op moest.
En sindsdien weet ik ongevraagd
dat ik virusvrij ben.
Nou is hij pissig.
Met een trapschoptische stoel naar achter
en hij beent naar de uitgang.
En ik denk, jezus, als het zo makkelijk is.
Hij wil naar buiten gaan,
maar op dat moment komt er net een man
het café binnen.
Een man met precies hetzelfde jas op.
Bedrijfskleding, denk ik.
Je ziet mijn zwart geklede
vriend gebaren.
Hij wil niet mee.
Die andere wil net een oplossing van de hand doen,
als op dat moment aan tafel
2 een man stikt in een pinda.
Dus die nieuwkome Frans Gulders zich
en helpt de pindaman in zijn jasje,
een Adidas jasje,
eenzelfde jasje,
als ik ook vaak draag.
En ik kijk naar mijn zwart ge
klede vriend
en hij gebaart, haha, sorry.
En ik zeg, ah joh, geeft niks.
En ik meen het, want mijn
eigen dood
doet me meestal niet zo veel,
het is meer de dood van anderen
die me altijd zo ophoudt.
Maar toch gebruikwillenmakend van de situatie gebaar ik,
wanneer dan wel.
En hij zegt, ah joh.
Ik zeg nee,
maar wanneer dan wel?
Hij zegt, ah joh.
En ik begrijp hem,
ik ben zeker weer als laatst aan de beurt.